Home

De techniek:

 

De broekmolen van Stramproy-Heyeroth is gebouwd aan een natuurlijke bocht in de oorspronkelijke Aabeek. Parallel aan die bocht is een kanaal gegraven, zodat er een eiland ontstaat. De tak waaraan de watermolen ligt wordt een molentak genoemd en de gegraven tak die daar parallel aan ligt wordt de afslagtak genoemd. Zowel in de afslagtak als in de molentak worden sluizen gebouwd om het waterniveau te regelen; de zogenaamde verdeelwerken. Het verdeelwerk in de afslagtak bestaat uit een eenvoudige stuw met losse schutbalken, waarmee de hoeveelheid water naar de molentak geregeld kan worden. Het verdeelwerk in de molentak bestaat uit een maalsluis en twee lossluizen. Door de maalsluis te openen stroomt het water naar het waterrad, waardoor deze begint te draaien. Met de lossluizen kan een teveel aan water worden afgevoerd. Het vermogen van de molen wordt voor een groot gedeelte bepaald door het verval over de maalsluis en het debiet.

 

De broekmolen werd vanaf het begin van de 19e eeuw steeds watergraanmolen genoemd. De molen heeft waarschijnlijk nooit een andere functie gehad. De molen wordt aangedreven door een houten onderslagrad met plaatijzeren schoepen die aan de binnenzijde zijn omgezet om de overslag van het snelstromende water zoveel mogelijk te beperken. De middellijn van vernieuwde raderen veranderde niet noemenswaardig en bedroeg gemiddeld 5,40 m De oorspronkelijke breedte van 60 cm werd aan het einde van de 19e eeuw op 80 cm gebracht en er werd een ark gemetseld, waardoor het rendement van het waterrad werd vergroot.

 

 

Het gehele gangwerk bevindt zich onder de steenbedding. De steenbedding is de verdiepingsvloer waarop de koppels maalstenen zich bevinden. De molen drijft drie koppels 17-er blauwe Duitse stenen aan. De maat van de stenen is afgeleid van de omtrek in voeten. De meest gebruikte stenen in Limburgse wind,- en watermolens zijn 14-ers, 15-ers, 16-ers en 17-ers met een diameter van respectievelijk 1,20 - 1,30 - 1,40 en 1,50 meter.  Het middelste en rechterkoppel stenen worden door een spoorwiel aangedreven, het linker koppel stenen door een tussenas, welke aandrijving in Nederland enig is in zijn soort. De koning is kort van bouw. De wieg, een grote schijfloop op de koning, is in verband met de beschikbare hoogte tegen de onderzijde van het spoorwiel gebouwd. De wieg wordt, zoals gebruikelijk aangedreven door het aswiel, het spoorwiel drijft de rondsels op de twee steenspillen aan. De horizontale tussenas ligt op de hartlijn van het aswiel en is aan de rechterzijde voorzien van een grote schijfloop, die op het aswiel draait. Aan de linkerzijde bevindt zich een kroonwiel, dat het rondsel van het linker koppel stenen aandrijft .Zoals de meeste watermolens op dit beektype kon het waterrad gelijktijdig slechts één koppel stenen aandrijven. De overige stenen werden dan uit het werk gezet. Bij het rechter en middelste koppel stenen gebeurde dit door enige staven uit de rondsels te nemen. Bij het linkerkoppel stenen kan de asondersteuning, die aan de rechterzijde met een pen in een keep vastzit, een weinig worden verplaatst, zodat de schijfloop vrij van het aswiel komt. In 1950 werden het waterrad en het sluisgebint met de maal- en de lossluizen vernieuwd.

 

 

 

 

 

 

Home

 

BB